Lucifers, tabak en textiel rond Ninove

Lucifers, tabak en textiel rond Ninove

Wie Ninove zegt, zegt lucifers. De Ninovieters waren de belangrijkste lucifermakers van België en wie geen stekskes maakte, ging aan de slag in de textielindustrie langs de Dender of pendelde naar de Borinage.

16 augustus 2021

Delen op Facebook Delen op Twitter

De 30 kilometer lange erfgoedfietsroute van Erfgoedcel Denderland brengt je op het spoor van industrieel erfgoed in en rond Ninove.

(Verdwenen) stations rond Ninove

Spoorlijn 90 en zijn stations lopen als een rode draad doorheen je fietstocht. De lijn, die midden 19e eeuw werd aangelegd, vertrekt in Denderleeuw en voert je tot in Jurbeke.

Maar tot 1940 reden de treinen verder, namelijk tot in Saint-Ghislain in de Borinage. De spoorlijn was dan ook een belangrijke aanvoerader van Oost-Vlaamse fossemannen die in de Waalse mijnen aan de slag gingen.

In Okegem stoot je op een van de vier overgebleven stations die architect Jean-Pierre Cluysenaar ontwierp in opdracht van de maatschappij Chemin de Fer de Dendre et Waes, een eenvoudige halte die dateert van 1895.

Enkel in Aalst, Zandbergen en Ternat hebben zijn stationsgebouwen de sloopwoede overleefd. Zijn fors uit de kluiten gewassen stadsstation van Ninove, dat later je pad kruist, werd in 1977 afgebroken, één dag voor het geklasseerd zou worden als monument.

Het stationsgebouw dat er nu staat, is een schim van het stadsstation dat sinds 1855 de Stationsstraat sierde. Sla er de ErfgoedApp of de website van #STROOM op na om je een beeld te vormen van hoe het eruitzag.

De halte Eichem is dan weer een van de kleinste haltes in Vlaanderen en sleepte nooit een eigen stationsgebouw in de wacht. De doorwinterde pendelaars moeten er verschuiling zoeken tegen regen en wind in eenvoudige wachthokjes. Dat is wel even anders in Appelterre, waar het station uit 1893 ondertussen al meer dan een eeuw staat te blinken.

Ook hier was het een komen en gaan van mijnwerkers die er 's namiddags de trein namen, 's nachts onder de grond doken in de Borinage en in alle vroegte terug naar huis keerden om een vijftal uur in bed te kruipen.

Tabaksplanters in Appelterre

Toch was er ook veel bedrijvigheid in de eigen streek. Appelterre stond namelijk te boek als het dorp van tabaksplanters. Alleen Tobacco Torrekens blijft daar nog van over.

Het beeld van de tabaksplanter op het dorpsplein herinnert nog aan de kweek van tabak en de zestien tabaksfabrieken die het dorp rijk was.

De tabaksplanter staat pal tegenover Hoeve Kapittelhof, een beschermd monument uit 1637 dat twee jaar geleden door een noodlottige brand in de as werd gelegd.

Wind- en watermolens

Op een steenworp van de spoorweg in Appelterre draaien sinds 1801 de wieken van de Wildermolen, een staakmolen die volledig rond zijn as kan draaien om te wind optimaal te vangen.

Sinds 1993 is de molen opgeknapt en weer maalvaardig. Tijdens de Europese molendag, Open Monumentendag en de Oost-Vlaamse molendag kan je er een bezoek brengen.

Nog een molen, de restanten van een watermolen weliswaar, vind je terug in Aspelare, een dorp aan de oevers van de Beverbeek. De drie windmolens die het dorp rijk was, zijn een voor een verdwenen.

300 kilogram

Van de spoorwegen en molens naar het water, meer bepaald de Dender. Onderweg naar Ninove kom je langs het jaagpad een standbeeld tegen ter ere van Victor De Klerck, beter bekend als de Dikke van Pamel.

De Klercks overlijden was in 1885 voorpaginanieuws. Met zijn 300 kilogram was hij dan ook uitgegroeid tot een bekende Belg, 'wier diklijvigheid een echt wonder was.'

Toen De Klerck zich naar Brussel gaf voor zijn loting bij het leger, was het 'onmogelijk geweest hem in een compartiment van den ijzeren weg te krijgen en men had zich verplicht gezien hem met eene kar naar de hoofdstad te voeren.'

Smid Frans Lambrecht

In de schaduw van de kerktoren van Outer prijkt een monument van een heel ander kaliber, namelijk dat voor smid Frans Lambrecht. Hij legde zijn gewicht in de schaal als een van de roergangers van de Roelanders, zoals de Daens-aanhangers zich in deze streek lieten noemen.

Ninoofse textielindustrie

De textielfabrieken aan de Désiré De Bodtkaai vormen een erehaag voor wie Ninove binnenrijdt langs de Dender. Bijna de helft van alle inwoners werkten in 1910 in de textielindustrie. Désiré De Bodt, naar wie de kaai vernoemd werd, was een van de spilfiguren en de textiel- en luciferfabrieken die neerstreken in Ninove.

Van Sofilaine en Fabelta blijft niet veel meer overeind: de schoorsteen van deze laatste werd in 2007 afgebroken. De enige schouw die nog overeind staat is beschilderd met de letters Eurepos, de vroegere naam van een houthandel.

Ophaalbrug over de Dender

Doorheen de stad kom je verschillende bruggen tegen die elk een eigen verhaal in petto hebben.

Achter de roze Oude Kaaibrug werd in 1890 de Ninoofse elektriciteitsfabriek opgericht die de straatlantaarns moest doen oplichten. Met de oprichting van de intercommunales verdween de nood aan een eigen centrale en verdween de stroomfabriek.

De Begijnenbrug was dan weer de eerste ophaalbrug over de Dender in de stad, hij mondt uit op het Paul De Montplein waar de graven van Vlaanderen in de 11e eeuw neerstreken. Ze bouwden er een motte met kasteel, walgracht en wachttoren, maar vandaag is daar niets meer van te zien.

De Denderkaai brengt je naar de mechanische maalderij Prové, strategisch gebouwd langs de Dender in 1878 langs waar het graan, koloniale waren, veevoerders en landvetten werden aangevoerd.

Dankzij zijn ligging aan de Dender bleef Prové een ontmanteling door de Duitse bezetter bespaard tijdens de Eerste Wereldoorlog. Veel maalderijen werden toen namelijk ontmanteld om het kostbare metaal elders te hergebruiken. Niet hier. De Duitsers zagen in Prové de geknipte locatie om opgeëist graan te verzamelen.

Lucifers

Op de plaats van het huidge stadspark spuwde Usine N°5 van Union Allumettière jaarlijks miljoenen luciferdoosjes uit. De fabriek zelf is met de grond gelijk gemaakt, maar de aanlegsteiger, waar populieren gelost werden om te verwerken tot lucifers, is een laatste restant van de Ninoofse luciferindustrie. Ook het 'Oeverstekske', de naam van de voetgangersbrug over de Dender, verwijst nog naar de luciferfabriek.

Brouwerij Slaghmuylder

Brouwerij Slaghmuylder houdt zich al 150 jaar lang op de been. Op het terrein van de voormalige Norbertijnerabdij richtte Emmanuel Slaghmuylder in 1860 de brouwerij op, een pareltje van industrieel erfgoed dat vandaag befaamd is voor zijn bier 'Witkap Pater'.

Taverne Idefix, aan de overkant van de brouwerij, heette vroeger café Den Ezel en verwees met zijn naam naar de weinig flatterende bijnaam van de Ninovieters: wortelkrabbers.

De bijnaam gaat terug tot een volksverhaal waarbij de stadspoort vergrendeld werd met een wortel om oprukkende Aalstenaars tegen te houden. Toen een ezel de wortel opat, stond de deur wagenwijd open en konden de Aalstenaars de stad Ninove binnenvallen.

Oorlog langs de Dender

Zowel de Eerste als de Tweede Wereldoorlog hebben hun stempel gedrukt op de volgende haltes. In oktober 1918, slechts een maand voor de wapenstilstand, vernietigden Duitse soldaten het sas van Pollare.

Het sas dateert van de 19e eeuw. De oude schotbalken worden nog met een takel in en uit het water gehesen, maar dat is binnenkort verleden tijd aangezien het sas gemoderniseerd zal worden.

In Pollare hangt sinds 1913 een ijzeren passerelle boven het water die op slag de uitbaters van veerdiensten werkloos maakte. De brug kwam zonder kleerscheuren uit de Eerste Wereldoorlog, maar werd op 18 mei 1940 opgeblazen door Engelse soldaten die holderdebolder op de vlucht sloegen voor de Duitse invasie aan het begin van de Tweede Wereldoorlog. Na de oorlog werd de brug hersteld.

Delen op Facebook Delen op Twitter

Advertenties

In de kijker

Expo's en events over industrieel erfgoed

Sporen van de Cockerills

#STrOOM: ontdek erfgoed langs Dender en spoor

Kantorencomplex in gashouder Schöneberg

Fietsen en wandelen over oude spoorlijnen via het RAVeL-netwerk

Sporen van het verleden in de "Atlas van Vergeten België"

© 2003-2021 hullabaloo.be